Laag Nederland: NAP en de strijd om droge voeten

LF9 NAP-route
25 oktober 2021

De LF9 NAP-route volgt grofweg de lijn waar de bodem op het NAP-peil nul ligt. De route loopt globaal langs de grens die Nederland zou hebben als er geen waterstaatkundige werken zoals dijken en sluizen zouden zijn. Met de klimaatverandering en de recente overstromingen in ons land, is dit onderwerp actueler dan ooit. Alle reden dus om eens stil te staan bij de strijd van de Nederlanders tegen het water. In deze reeks nemen we je mee in de strijd om droge voeten.

Het ongerepte water

De grote delen van het westen en noorden, en een strook langs de grote rivieren behoren tot laag Nederland. In de tijd voordat de mens zich bemoeide met de waterhuishouding varieerde het beeld van onze kustlijn en het daarachter gelegen lage deel van wat later Nederland zou worden. Tijdens relatief rustige perioden, waarin de zee zich gedeisd hield, was er een vrijwel gesloten kustlijn. Kwelderruggen, die door de zee waren aangeslibd, en door de wind opgestoven duinen boden onder normale omstandigheden bescherming tegen hoogwater. Via enkele openingen in de kustlijn kon er water naar de zee stromen, maar de duinen en kwelderruggen belemmerden toch de afvoer van zoet water naar zee. Hierdoor steeg het grondwater achter de kwelders en ontstond moerassig gebied. Dode planten konden hier maar gedeeltelijk verteren en stapelden zich in de loop van eeuwen op tot een dik veenpakket.

Wat is nou normaal?
Om overal dezelfde bescherming te bieden tegen hoogwater, moet de dijk overal even hoog zijn ten opzichte van het water. Met ijkpunten op muren zijn nulpunten vastgesteld. Dit peil is de gemiddelde hoogte van de vloed in Amsterdam, die gemeten werd in 1683 en 1684. Hiermee is ook het niveau van andere punten vast te stellen.

Gewichtige klei

Ongeveer 4000 jaar geleden had het veen zijn grootste uitbreiding. Door latere zeedoorbraken is dit veen weer gedeeltelijk weggeslagen of bedekt met klei. Op de plaatsen waar het veen met klei is bedekt vinden we nu nog de laagst gelegen gebieden van Groningen en Friesland, omdat de klei door zijn gewicht het veen sterk heeft laten inklinken. Ook op de plaats van het latere Holland en Utrecht was hoofdzakelijk veenmoeras, hier en daar doorsneden door veenstroompjes en rivieren.

Daarnaast kan een brede strook rond de benedenloop van de grote rivieren tot laag Nederland worden gerekend. Deze steekt een stuk naar het zuidoosten, de zandgronden in. De grote rivieren hebben hier keer op keer hun beddingen in gesneden, deze daarna weer opgevuld met materiaal dat ze vervoerden en nieuwe beddingen opgezocht. Zo ondervonden in de loop der eeuwen brede stroken land de invloed van de rivieren.

Stijgende zee
Oorspronkelijk lag laag Nederland niet zo laag ten opzichte van de zeespiegel als tegenwoordig. Rekenend in miljoenen jaren is er een voortdurende afwisseling van stijgende en dalende zeespiegels te zien. De afgelopen duizenden jaren, sinds het einde van de laatste ijstijd ongeveer 10.000 jaar geleden, is er sprake is van een geleidelijke natuurlijke opwarming. Dat gaat gepaard met het smelten van het ijs rond de polen en in de gletsjers. Het gevolg daarvan is een stijgende zeespiegel. Dit proces wordt versneld door broeikasgassen die onder andere door het gebruik van fossiele brandstoffen in de atmosfeer terecht komen.

Door het stijgen van de zeespiegel ligt het ruim 300 jaar geleden vastgestelde nulpunt van het NAP inmiddels lager ten opzichte van zee dan oorspronkelijk.

Mensen moesten creatief zijn om zich in deze gebieden te kunnen vestigen. Hoe ze toen hun voeten aan tafel droog hielden lees je in het volgende blog!

Geschreven door

Marina

Informatie

Gerelateerde artikelen